Meer praktijk tips

Verwerking in hoeken (bij hoofdstuk 3 in het boek)

Digitale speel-leeromgeving (bij hoofdstuk 3 in het boek)

Woordenschat (bij hoofdstuk 4 in het boek)

Vragen stellen (bij hoofdstuk 5 in het boek)

Ouderbetrokkenheid (bij hoofdstuk 8 in het boek)

Hoe verder?

Verwerking in hoeken (bij hoofdstuk 3 in het boek)

Zie je mogelijkheden voor verwerking in hoeken? Pas de speel-leeromgeving hierop aan. Hieronder staat hoe je enkele hoeken in de sfeer van het prentenboek kunt aanpassen. Maar er is nog veel meer mogelijk. Laat je inspireren door het prentenboek. Wees creatief en praktisch. Welke materialen heb je al? Wat is er in jouw groep mogelijk?

Wat kun je toevoegen in de hoeken?

Hoek

Wat kun je toevoegen?

Verteltafel of Vertelkoffer

Het prentenboek, poppen/afbeeldingen van de hoofdpersonen, voorwerpen die in het boek voorkomen

Boekenmuur of ABC-muur

Collage van tekeningen, plaatjes, foto’s, en eventueel woorden die kinderen over het boek verzamelen

Kamishibai

(Enkele) platen of tekeningen van het prentenboek

Leeshoek

Andere prentenboeken of informatieve boeken over het onderwerp

Taalhoek

Platen en detailplaatjes van het prentenboek of over het onderwerp van het boek. Materiaal om een collage of boekje te maken en eventueel te stempelen of te ‘schrijven’.

Andere hoeken, bijvoorbeeld huishoek, bouwhoek, ontdekhoek, beeldende hoek, …

Bijvoorbeeld verkleedkleding en voorwerpen die in het boek voorkomen in de huishoek, klein spelmateriaal in de bouwhoek of bij de zandtafel.

Digitale speel-leeromgeving

Filmpjes, afbeeldingen en apps over het onderwerp van het prentenboek.

Een digitale versie van het prentenboek of een luisterboek.

Verteltafel

Een verteltafel is een uitstalling van platen en voorwerpen die te maken hebben met het boek dat je gebruikt voor interactief voorlezen. Denk hierbij aan de hoofdpersonen (handpoppen, vingerpoppen, knuffels, enzovoort) en enkele belangrijke voorwerpen die in het verhaal voorkomen. Het boek waar het om gaat staat in het midden op de verteltafel. Leg ook enkele plaatjes van de belangrijkste scènes uit het verhaal neer, bijvoorbeeld om na te spelen of in de juiste volgorde te leggen. Betrek de kinderen bij de inrichting van de verteltafel. Zij hebben vast ideeën over voorwerpen die op de verteltafel moeten komen. Eventueel kunnen ze die van thuis meebrengen. Ook kunnen ze zelf materialen voor op de tafel maken.

Praktijkvoorbeeld

Yasmine heeft met de oudste peuters het prentenboek ‘Rupsje Nooitgenoeg’ voor het eerst bekeken. Nu staat ze met de kinderen bij de nog lege verteltafel. ‘Kijk eens, ik zet het boek van Rupsje Nooitgenoeg’ op tafel. Wat kan er nog meer bij?’ Youssif roept meteen: ‘Een knuffelrups!’ ‘Ja!’, zegt Messin, ‘en eten voor de rups!’ Zo bedenken en verzamelen ze samen in een paar minuten een heleboel attributen voor op de verteltafel. Jinte en Phyllis pakken de appel en de peer die nog over zijn van het fruit eten. Een week later is de tafel getransformeerd tot een kleurrijk geheel; het lijkt wel een fantasielandschap met blaadjes, fruit en andere dingen die de kinderen met ‘Rupsje Nooitgenoeg’ hebben geassocieerd.

Achtergrond

De spullen op de verteltafel brengen het boek in herinnering, maar geven de kinderen ook de mogelijkheid het verhaal na te spelen of er een eigen fantasieverhaal van te maken. Zeker voor anderstalige kinderen is het spelen met de materialen een goede manier om kennis te maken met het boek.

Vertelkoffer

Je kunt de materialen bij het prentenboek ook in een vertelkoffer doen. De vertelkoffer kun je goed gebruiken wanneer je een nieuw prentenboek introduceert. Het maakt de voorleesactiviteit spannend voor de kinderen en het maakt hen nieuwsgierig: wat zou er in de koffer zitten? Tijdens het voorlezen gebruik je de inhoud van de koffer om het verhaal concreet te maken voor de kinderen. Zo daag je hen uit om de materialen te benoemen, erover te praten en ermee te spelen. Als je de vertelkoffer regelmatig gebruikt, wordt deze een onderdeel van de voorleesroutine.

Boekenmuur

Je kunt een vrij gedeelte van een muur of een prikbord inrichten als ‘boekenmuur’. Hang een lang stuk karton op, waarop je tekeningen, plaatjes en foto’s plakt die de kinderen bij het prentenboek hebben gemaakt of gevonden. Het wordt zo een soort poster, een collage, die je steeds verder uitbreidt. Schrijf de titel van het prentenboek op de poster. Voor je het prentenboek opnieuw gaat voorlezen, kun je samen met de kinderen naar de collage kijken. Na de laatste stap van interactief voorlezen kun je samen met de kinderen bij de boekenmuur terugkijken op het prentenboek en op de activiteiten die zij daarbij hebben uitgevoerd.

ABC-muur

In groep 1 en 2 zie je vaak een ABC-muur waarop alle letters staan afgebeeld. Ook hier kun je teksten, tekeningen en foto’s die met het (onderwerp van het) prentenboek te maken hebben ophangen.

Kamishibai

Een kamishibai is een van oorsprong Japans vertelkastje. Je vult het kastje met enkele of alle platen uit het prentenboek. Eventueel kun je de platen plastificeren. Je toont telkens een plaat en vertelt erbij, of laat de kinderen vertellen of het verhaal naspelen. Bij sommige prentenboeken zie je op de linker- en de rechterpagina verschillende afbeeldingen. Omdat je met een kamishibai telkens maar één plaat laat zien, raken de kinderen minder snel afgeleid. Je kunt ook tekeningen die de kinderen naar aanleiding van het prentenboek gemaakt hebben met de kamishibai laten zien.

Praktijkvoorbeeld

Marieke heeft een prachtige kamishibai in haar groep staan. Deze gebruikt ze regelmatig om interactief voor te lezen. Van ieder prentenboek dat ze voorleest maakt of koopt ze vertelplaten. Haar kleuters zijn al zo gewend aan de kamishibai dat zij zelf ook al verhalen tekenen en presenteren via dit kastje.

Leeshoek

Het boek dat je interactief voorgelezen hebt, kun je op de verteltafel of in de leeshoek leggen. Op de verteltafel wordt gespeeld, terwijl de leeshoek de kinderen juist uitnodigt om heerlijk rustig te ‘lezen’ en om elkaar ‘voor te lezen’. Het is prettig als de leeshoek een beetje afgeschermd is met bijvoorbeeld kasten of mooie transparante stoffen.

De boeken kun je uitnodigend in een boekenrek of in kratten zetten, geordend op onderwerp. Zitten kan aan een tafel met stoeltjes, maar ook op luie stoelen, zitzakken of een bank met kussens. Kinderen vinden het ook heerlijk om op hun buik te lezen, zorg dus voor een zacht kleed.

Praktijkvoorbeeld

Tom zit ‘verstopt ‘achter een doorzichtig gordijn. Hij leest een prentenboek dat gisteren in de kring is aangeboden. Hij kon toen de platen niet helemaal goed bekijken. Nu bekijkt hij geïnteresseerd alle details.

Vertelstoel

In sommige groepen is er een vertelstoel. Voor kinderen is het heel speciaal om op deze stoel te zitten. Ze mogen vertellen! Verlegen en teruggetrokken kinderen vinden ‘voorlezen’ vaak een beetje eng. Maar zet je de vertelstoel in de leeshoek dan zie je vaak dat ook deze kinderen een boekje hardop gaan ‘voorlezen’. Andere kinderen of knuffels zijn dan luisteraar.

De leeshoek inspireert als er steeds weer andere en bijzondere boeken te vinden zijn. Je kunt er prentenboeken of informatieve boeken neerleggen die passen bij het prentenboek dat je op dat moment interactief voorleest of bij het actuele thema in je groep. Bij de bibliotheek kun je themacollecties lenen. Zoek boeken bij onderwerpen die leven bij de kinderen uit je groep, zoals dinosauriërs, ballet, vervoermiddelen, maar ook boeken die qua uiterlijk verschillen (boeken met glitters, geluid, bijzondere vormen, voelboeken). Zorg ook voor een goede basiscollectie met boeken die voor jouw groep aansprekend zijn.

Houdbaarheidsdatum

Het is voor jezelf en voor de kinderen in je groep inspirerend om jaarlijks een paar mooie nieuwe boeken aan te schaffen en een paar oude of kapotte boeken weg te doen. Zo ook de boeken die de kinderen in je groep niet (meer) aanspreken. Ieder jaar verschijnen er veel mooie, interessante, gekke, ontroerende, ondeugende en interessante prentenboeken. Maar er verdwijnen er elk jaar ook een heleboel uit de handel. Prentenboeken hebben een korte ‘verkrijgbaarheidsdatum’. Alleen de klassiekers (zoals Rupsje Nooitgenoeg) blijven lang beschikbaar. Daarom is het handig om:

  • een prentenboek direct aan te schaffen als je het voor langere tijd wilt gebruiken;
  • niet meer verkrijgbare prentenboeken te lenen of tweedehands te bestellen;
  • digitale boeken te gebruiken. Die zijn vaak langer beschikbaar. Zie bijvoorbeeld www.boekpakket.nl[A1]

Taalhoek

In de taalhoek kunnen kinderen op een creatieve manier de inhoud van het prentenboek verwerken op papier. Ze kunnen er naar hun eigen idee tekenen, ‘schrijven’, stempelen, plaatjes uitknippen en opplakken. Ook kunnen ze met een collage, poster, of platen voor de kamishibai een presentatie maken over het verhaal. Je kunt de kinderen die dat willen ook opdrachtjes laten uitvoeren waarbij ze bijvoorbeeld afbeeldingen van het verhaal in de juiste volgorde leggen en opplakken. Zo hebben ze zelf weer een ‘boek’ gemaakt. Kinderen die wat meer uitdaging nodig hebben, kun je bijvoorbeeld uitnodigen om een een vervolg te of een ander einde voor het verhaal te bedenken, en dat vast te leggen (met tekeningen, symbolen en/of ‘schrift’).

Andere hoeken

Naast bovenstaande voorbeelden zijn er nog veel meer mogelijkheden om tijdens het spelen de inhoud van een prentenboek te verwerken:

In de huishoek kun je kleding en attributen leggen die horen bij de personages en gebeurtenissen in het verhaal. Hiermee kunnen kinderen zelf spelen en eventueel (elementen van) het verhaal naspelen. Bij het prentenboek ‘De schoenen van de zeemeermin’ kun je bijvoorbeeld een onderwaterwereld maken, waarin kinderen als zeemeermin, vis of duiker allerlei avonturen kunnen beleven. En bij het boek ‘Saar bij de dokter’ kun je een consultatiebureau nabouwen. Door het voorlezen zijn bepaalde begrippen, handelingen en personages bekend. De kinderen kunnen deze naar eigen behoefte in hun spel verwerken.

In de bouwhoek kun je verschillende spelmaterialen toevoegen passend bij het prentenboek. Bij het boekje ‘Kinderboerderij’ horen natuurlijk allerlei dieren. De kinderen kunnen met blokken of dozen hokken en weitjes voor de dieren bouwen.

In de ontdekhoek kun je allerlei bijzondere materialen leggen om te onderzoeken. Je kunt kinderen bijvoorbeeld laten spelen met een voeldoos. Door te voelen raden ze welk voorwerp uit het verhaal in de voeldoos ligt.

In de beeldende hoek kunnen de kinderen ‘kunst’ maken op basis van het prentenboek. De illustraties uit het boek of het onderwerp zelf kunnen inspiratie geven, zoals de plaat van de zonsondergang in ‘Boer Boris gaat naar zee’.

Terug naar boven

Digitale speel-leeromgeving (bij hoofdstuk 3 in het boek)

Digitale prentenboeken

Een digitaal prentenboek kun je bekijken op een televisie, tablet, digibord of computer. Er zijn boeken met alleen tekst en beeld, maar ook boeken met een voorleesstem. Sommige boeken zijn verrijkt met muziek, geluiden, animaties en filmpjes. In prentenboeken-apps is ook interactie mogelijk. De kinderen kunnen bijvoorbeeld een vraag beantwoorden door een plaatje aan te raken of te verslepen.


Digibord

Een digitaal prentenboek kan groot geprojecteerd worden op een digibord. Zo kunnen alle kinderen de platen goed zien. Details in de illustraties kun je zo goed zichtbaar maken. Ook kun je delen van de plaat omcirkelen, pictogrammen plaatsen of woorden arceren om ergens de nadruk op te leggen.

Praktijkvoorbeeld

Op peuterspeel- en leergroep ‘de Bibelebonseberg’ spelen vier peuters met een tablet. Eén van de kinderen opent het digitale prentenboek ‘Mama kwijt’. De kinderen lachen om de plaatjes waarop ze de grappig getekende dieren zien en ze doen de dieren op het scherm na. Caroline komt erbij staan en doet even mee met de kinderen. Samen praten ze over wat ze zien en ze voorspellen wat er met het uiltje zou kunnen gebeuren.

Het echte voorlezen vervangen?

Het bekijken van digitale prentenboeken kun je inzetten om kinderen nog eens extra van een boek te laten genieten, maar het kan het echte voorlezen nooit vervangen. Een digitaal prentenboek kan zelf immers niet reageren op de specifieke behoeftes en interesses van een kind. Jij kunt wel inspelen op onderdelen in het verhaal waar kinderen enthousiast over zijn of waar ze vragen over hebben. Je kunt wat dieper ingaan op (details van) de plaatjes, op het verhaal, op specifieke woorden in de tekst. En je kunt geluiden maken die bij het verhaal horen.

Waar vind je digitale prentenboeken?

Er zijn betaalde digitale prentenboek-apps verkrijgbaar, en er zijn websites die digitale prentenboeken aanbieden. Let daarbij wel op de kwaliteit. Niet alleen moeten de prenten mooi en duidelijk zichtbaar zijn, maar er moeten ook niet te veel afleiders in beeld zijn.

Van sommige prentenboeken is een geanimeerde of gedigitaliseerde versie te koop op dvd. Ook de kwaliteit daarvan is heel verschillend.

Een site met een groot aanbod aan kwalitatief goede digitale prentenboeken vind je op: www.boekpakket.nl[A2]

Suggesties voor websites en andere digitale mogelijkheden:

Appybook, interactieve kinderboekenapp voor de iPad, te downloaden in de AppStore van iTunes.

http://www.wepboek.nl/

http://web.bereslim.nl/

http://rianvisser.yurls.net/nl/page/955146#topboxes

http://www.piccolopicturebooks.nl/

http://www.kleutertabletportaal.nl/schoolborden/catalogus.html?vakgebied=ebooks&categorie%5B0%5D=ebooks&categorie%5B1%5D=prentenboeken

http://www.leesplein.nl

Apps

Sommige prentenboeken-apps bieden niet alleen de mogelijkheid om het verhaal te lezen, maar bevatten ook spelletjes die de kinderen individueel of in tweetallen op de tablet kunnen spelen. Wanneer het digitale prentenboek zelf geen spelletjes bevat, kun je kinderen ook met apps laten spelen die aansluiten bij het thema van het boek. Op websites als www.digidreumes.nl, https://eduapp.nl/ en in het boekje ‘104 leerzame apps & sites’ van Kennisnet en Mijn kind Online staan overzichten van apps die aansluiten bij bepaalde thema’s en ontwikkelingsgebieden.

Luisterboeken

Je kunt ook luisterboeken laten afspelen op een computer, cd- speler, tablet, of mp3-speler met hoofdtelefoon. Er zijn kinderen die het heerlijk vinden om zich zo even af te sluiten van de omgeving en helemaal op te gaan in een luisterboek.

Filmpjes

Van sommige prentenboeken bestaan filmpjes. Zeker als die werken met bewegende beelden, zijn ze aantrekkelijk voor jonge kinderen. Als je de kinderen filmpjes laat bekijken, is het belangrijk om dit ook op een interactieve manier te doen. Stel vooraf bijvoorbeeld een kijkvraag. Laat de kinderen na het bekijken spontaan reageren en praat nog even na. Vooral voor kinderen met een taalachterstand zijn digitale prentenboeken met filmische beelden een goed middel om de taalontwikkeling te stimuleren. Filmische beelden en geluiden maken het verhaal soms begrijpelijker voor het kind dan enkel statische platen. Doordat ze geboeid kijken, kunnen ze de aandacht langer bij het verhaal houden. Let wel op dat de beelden goed aansluiten bij het verhaal, anders leiden ze alleen af.

Zelf een digitale versie van een prentenboek maken

Het zelf maken van digitale prentenboeken biedt vele mogelijkheden om aan te sluiten bij de thema’s in je groep. Je kunt zelf een digitaal prentenboek maken met bijvoorbeeld Microsoft PowerPoint door gesproken en/of geschreven tekst en foto’s en/of tekeningen samen te voegen.

Het is een leuke activiteit om samen met de kinderen een digitaal prentenboek te maken. Hier zijn verschillende mogelijkheden voor. De kinderen kunnen:

  • tekeningen maken bij een prentenboek dat ze meerdere malen gezien en gehoord hebben. Deze tekeningen kun je inscannen of fotograferen.
  • scènes namaken met poppetjes in de bouwhoek of poppenhoek en hier foto’s van maken.
  • het verhaal zelf naspelen, en jij maakt er foto’s van.
  • het verhaal zelf navertellen en jij maakt geluidsopnames met behulp van een computer of tablet.
  • het verhaal aan jou vertellen, en jij noteert het op of spreekt het in.

NB: Voor het digitaal maken van bestaande prentenboeken gelden wettelijke regels. Zo is altijd toestemming van de uitgever nodig. Er zijn enkele uitzonderingen. Zo mag je wel enkele prenten uit een boek als ‘citaat’ gebruiken, maar geen heel boek overnemen in een PowerPointpresentatie. Als aanvulling zou je plaatjes of tekeningen zonder auteursrecht kunnen toevoegen of zelf foto’s of tekeningen maken.

Terug naar boven

Woordenschat (bij hoofdstuk 4 in het boek)

Uit onderzoek blijkt dat voorlezen een positieve invloed heeft op de woordenschat van peuters en kleuters. Deze invloed is des te groter als het voorlezen interactief gebeurt. Praten over het verhaal en over de personages, en de kinderen voorspellingen laten doen, zorgen voor een extra positief effect op de woordenschat. Tijdens het voorlezen of tijdens een gesprek over het boek komen allerlei begrippen op een natuurlijke manier aan bod.

Tijdens de opeenvolgende stappen van interactief voorlezen (zoals beschreven in hoofdstuk 2 in het boek) kun je spelenderwijs de woordenschat stimuleren.

Stap 1 Introductie van het verhaal

Tijdens deze stap maak je kinderen enthousiast voor het boek en het verhaal, zodat ze er meer over willen weten. Ook herhaal je wat de kinderen al weten over het onderwerp, om later met de nieuwe begrippen hierbij aan te haken.

Stap 2 Voorlezen van het verhaal

In stap twee leg je de belangrijkste begrippen die in het boek voorkomen uit (semantiseren). Hierbij let je op het volgende:

Samenhang

Je biedt begrippen niet los aan, maar samen met een aantal andere begrippen die er logisch bijpassen. Bijvoorbeeld flippers, zwemmen, voeten, vinnen en zeemeermin. Een prentenboek biedt vanzelf een logisch samenhangend geheel van begrippen. Een verhaal biedt een context en clustering van begrippen. Hiermee leer je de kinderen dat bepaalde begrippen bij elkaar horen. Ze gaan ze in hun hoofd een plekje geven en aan elkaar verbinden. Daardoor kunnen ze de begrippen beter onthouden en er verder kennis over opbouwen.

Je kunt een prentenboek ook laten aansluiten bij het actuele thema/project in je groep. En je kunt de hoeken in je lokaal aan het boek en het thema aanpassen. De verschillende activiteiten die je aanbiedt tijdens een project vormen dan een samenhangend geheel.

Uitleg

Voor je interactief gaat voorlezen, lees je zelf het boek goed door. Vaak kun je vooraf goed inschatten welke woorden de kinderen uit je groep niet zullen begrijpen. Bedenk hoe je die woorden op een eenvoudige manier kunt uitleggen. Doe dit zo concreet mogelijk, bijvoorbeeld met behulp van:

  • handelingen met materialen,
  • gebaren en gezichtsuitdrukkingen,
  • speciale uitspraak,
  • materialen, foto’s en filmpjes.

Voorbeelden bij ‘De schoenen van de zeemeermin’

Heh?’ Jolien kijkt de kinderen heel verbaasd aan. Vervolgens leest ze met verbaasde stem voor: ‘Wat heb jij nou aan je voeten?’ vroegen haar vriendjes verbaasd.’

Het begrip ‘zee’ komt vaak in het boek voor. Misschien zijn niet alle kinderen uit je groep ooit bij de zee geweest, dus moet je dit begrip uitleggen. Dit kun je doen door er een filmpje van te laten zien. Dit doe je natuurlijk niet tijdens het lezen, maar vooraf of achteraf.

Je kunt ook een korte, eenvoudige omschrijving van de betekenis van een woord geven, bijvoorbeeld: ‘Flippers kun je aan je voeten doen om mee te zwemmen. Ze lijken wel op de (staart)vinnen van een vis of een zeemeermin.’

Je hoeft niet alle begrippen uit te leggen. Aan de kinderen zie je vanzelf wanneer uitleg nodig is en vaak vragen ze er ook om. Kennen ze te veel begrippen in het boek niet, dan heb je een te moeilijk boek gekozen voor de kinderen in je groep.

Stap 3 Ingaan op het verhaal

Tijdens de derde stap bied je het verhaal nogmaals aan en kun je moeilijke begrippen nog eens extra uitleggen. Vervolgens ga je in een gesprekje met de kinderen verder op het verhaal in. Hierbij gebruik je actief allerlei begrippen die in het verhaal voorkomen.

Vervolgens probeer je de begrippen van het verhaal te verbinden met de wereld buiten het verhaal. Dit doe je bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar verschillen en overeenkomsten met de eigen ervaringen van kinderen. Wie heeft er thuis een vis? Laten we de foto’s eens bekijken van jouw vis. Lijkt hij een beetje op een zeemeermin? Wat is hetzelfde? Wat is anders?

Stap 4 Uitdiepen van het verhaal

Ook in de laatste stap herhaal je weer het verhaal. Vervolgens help je de kinderen om de begrippen nog beter en gedetailleerder te begrijpen. Dit doe je door ze er dieper over na te laten denken. Dit kun je doen door vragen te stellen en hen uit te nodigen om relaties te leggen. Waarom is de vis bij jullie thuis geen zeemeermin? Wat heb je nodig om een zeemeermin te kunnen zijn? Zou je het leuk vinden om een zeemeermin te zijn? Wat zou jij doen als je een zeemeerman was? Op deze manier wordt de woordenschat verdiept.

Herhaling

Door begrippen te herhalen, kunnen kinderen ze beter onthouden. En door interactief voorlezen in vier stappen zorg je vanzelf voor veel herhaling. De kinderen hebben dan volop gelegenheid om de begrippen te leren kennen, te gebruiken en de diepere betekenissen ervan te doorgronden. Je leest een boek namelijk minstens vier keer voor. En je praat met de kinderen over het boek, waarbij jullie de begrippen uit het boek vanzelf gebruiken. Ook als de kinderen spelen met dingen die in het boek voorkomen, gebruiken ze vanzelf regelmatig de belangrijkste begrippen uit het boek. Met de kinderen die het nodig hebben, kun je de begrippen nog eens extra doornemen als voorbereiding op een groepsactiviteit.

En daarna?

Je hoeft het voorlezen van een prentenboek niet te beperken tot de vier stappen. Lees een prentenboek dat je gebruikt hebt voor interactief voorlezen gedurende het (school)jaar af en toe nog eens voor. Door de herhaling is de kans nog groter dat de kinderen de begrippen uit het boek kunnen onthouden. En het is heel leuk om een boek nog eens te lezen.

Verwerking

Tijdens het spelen en werken kunnen de kinderen de kennis die ze over de begrippen opgedaan hebben actief verwerken. In de huishoek die omgebouwd is tot onderwaterwereld, kunnen ze bijvoorbeeld met de flippers ‘snorkelen’, vissen bekijken of zeemeermin en zeemeerman spelen. Door de begrippen tijdens het spelen te gebruiken, kunnen ze deze beter begrijpen en onthouden.

Tweedetaalleerders

Kinderen die thuis een andere taal dan het Nederlands spreken, beschikken als peuter en kleuter vaak nog over een beperkte Nederlandse woordenschat. Het is belangrijk dat ze een inhaalslag maken voordat ze met het ‘schoolse’ beginnen in groep 3. En het is prettiger voor de kinderen als ze snel goed en uitgebreid kunnen communiceren met andere kinderen.

Interactief voorlezen is ook heel geschikt om de woordenschat van tweedetaalleerders te stimuleren. De opbouw in vier stappen werkt hierbij heel goed, doordat je de begrippen die in het boek voorkomen vaak herhaalt door voor te lezen en te praten over het verhaal, ondersteund met afbeeldingen en materialen.

Extra hulp

Mogelijk is voor de tweedetaalleerders in je groep het niveau te hoog als je een boek klassikaal interactief voorleest. Ze moeten dan te veel informatie tegelijk verwerken. Geef deze kinderen daarom extra hulp als ze dat nodig hebben. Dit doe je door de voorleesactiviteiten individueel of met een paar kinderen voor te bereiden, zodat ze daarna met een groepje mee kunnen doen. Leg de belangrijkste woorden vooraf duidelijk uit, onder andere met behulp van materialen en afbeeldingen (zie stap 2).

Let verder op onderstaande punten:

  • Praat in een heel rustig tempo.
  • Laat ook af en toe een pauze vallen.
  • Spreek alle woorden heel duidelijk uit.
  • Spreek belangrijke woorden nog eens apart uit, of knip de zin in stukjes.
  • Zorg voor succeservaringen. Als een kind een vraag niet begrijpt, dan stel je hem nogmaals op een andere manier. Maak er bijvoorbeeld een of/of vraag van of een ja/nee vraag of geef zelf antwoord.

Praktijkvoorbeeld

‘Kijk, dit is … boer … Boris… boer … Boris.’

‘Zie jij boer Boris … in de koffer?’

‘Ja, pak hem maar. Goed zo! Dit is … boer … Boris.’

Terug naar boven

Vragen stellen (bij hoofdstuk 5 in het boek)

In het boek benadrukken we dat interactief voorlezen zeker géén vraag- en antwoordspel is, want we willen juist interactie. We zijn vaak gewend om ‘wat’- en ‘waar’-vragen te stellen. Het taalaanbod is dan vooral gericht op het benoemen van begrippen en minder op interactie. De kinderen worden dan als het ware overhoord, doorlopend getest op hun kennis in plaats van uitgedaagd om zich uit te drukken en mee te doen aan de interactie. Ruimtescheppend gedrag van jou kan dit helpen voorkomen.

Toch kun je ook op een goede manier gebruik maken van vragen. Een vraag kun je op verschillende manieren stellen. De mogelijke antwoorden verschillen nogal in complexiteit en benodigde communicatieve vaardigheden. Daarom is het goed om te variëren in het soort vragen dat je stelt. Alleen maar vragen: ‘Wat is dat?’ of ‘Waar zie je een …?’ is niet voldoende. Dan ‘test’ je voortdurend of het kind iets weet, maar het leert er niets nieuws bij. Niets over de inhoud van het bevraagde begrip en niets over de toepassing ervan.

Soorten vragen die je aan een kind kunt stellen

Retorische vragen

Vragen waarop het kind geen antwoord hoeft te geven, maar die bedoeld zijn om het te betrekken bij de activiteit.

‘Kijk, daar liggen de boekjes, zie je? Wil je ook een boekje pakken? Pak maar een kussen. Wacht, zal ik je even helpen? Zo, ga maar zitten.’

Je verwoordt wat je doet, betrekt het kind erbij, maar verwacht geen antwoord.

Non-verbaal-antwoordvragen

Vragen waarop het kind non-verbaal kan reageren, een verbale reactie is niet nodig.

‘Waar is de beer?’ (kind wijst of pakt).

Dit soort vragen kunnen ook vragen uit de volgende categorieën zijn, waarop je dan alleen een non-verbale reactie verwacht.

Ja-neevragen

‘Is dit een pop?’ (kind geeft verbale reactie).

In- en aanvulvragen

‘Aziz heeft een fiets en Daan heeft een ...’ (kind geeft verbale reactie).

Twee-/meerkeuzevragen

‘Is het konijn bruin of zwart?’ (kind geeft verbale reactie, eventueel ondersteund met non-verbale handeling).

Open vragen die een kort antwoord verlangen, de zogenaamde kort-antwoordvragen

Wat-vraag

‘Wat is dit?’ ‘Wat doet mama?’

Wie-vraag

‘Wie loopt daar?’

‘Van wie is de hond?’

Waar-vraag

’Waar rijdt de auto?’

‘Waar is de poes?’

Open vragen die een lang(er) antwoord verlangen, de zogenaamde lang-antwoordvragen

Proces-/volgordevragen

‘Hoe lopen Jesse en Noura naar school?’

‘Hoe maakt papa pannenkoeken?’ (eerst ... dan ... daarna ...)

Oorzaak-gevolgvragen

‘Wat zou er gebeuren als ...?’

Meningsvragen

‘Wat zou mama ervan vinden?’

Tegendeelvragen

Die het tegendeel zijn van een bepaalde bewering in een gesprek of het boek:

‘Spinnen komen toch niet in huizen?’ Hiermee prikkel je kinderen om te reageren en verder op deze bewering in te gaan. Deze vragen lokken daardoor een uitgebreid antwoord uit, vooral als je na de eerste reactie (‘Jawel!’) ruimte geeft voor een nadere toelichting. (‘Er zat een hele grote spin in de gang en dat is binnen!’)

De eerste vraagsoorten zijn gesloten vragen. Je verwacht geen antwoord of een eenduidig antwoord. De laatste vragen zijn veel moeilijker te begrijpen en te beantwoorden dan de eerste . De hier opgesomde vragen lopen min of meer op in moeilijkheidsgraad. De eerste vijf worden vaak gesteld aan niet zo taalvaardige kinderen. De laatste drie kunnen vooral door taalvaardige (en cognitief vaardige) kinderen worden beantwoord. Uit de lijst blijkt dat ook voor minder taalvaardige kinderen de vragen verder kunnen gaan dan ‘Wat is dat?’

Terug naar boven

Ouderbetrokkenheid (bij hoofdstuk 8 uit het boek)

Maak een blad dat je steeds kunt aanpassen aan het boek dat je voorleest. Je kunt het blad aan de ouders mailen of meegeven. Ouders kunnen invullen wat het kind van het boekje vindt, dat is direct een mooi gespreksonderwerp voor een informatieavond over (interactief) voorlezen.


Een voorbeeld van zo’n blad:

Beste ouders/verzorgers,

[#voorkant boek opnemen#]

Op dit moment lezen we dit boek in de groep.

Jullie kunnen het boek in de bibliotheek lenen.

Je kunt het boek ook digitaal lenen via www.boekpakket.nl

Wat vindt je kind van dit boek?

[3 icoontjes: leuk – neutraal – niet leuk]

niet leuk neutraal leuk

Prentenboeken lezen met je kind[IK3]

Lees regelmatig voor.

Kijk en luister goed hoe je kind op het boek reageert. Ga in op reacties van je kind.

Bijvoorbeeld:

Oh ja? Dat zie ik ook.

Ja, hoe zou dat komen?

Dat zou kunnen.

Praat samen over het boek. Heeft je kind ook wel eens zoiets meegemaakt? Laat het daarover vertellen.

Wat is er anders? Ga hier op in.

Bijvoorbeeld:

Hé, dat hebben we hier ook.

Kijk, dat is hetzelfde.

Dat heb jij ook wel eens gedaan, hè?

Geniet samen van het boek en van het gezellig bij elkaar zijn!

Projecten om ouders te betrekken bij het voorlezen

Er zijn diverse projecten ontwikkeld om ouders meer bij de leesopvoeding te betrekken. Deze projecten zijn vaak gericht op ouders die weinig ervaring met voorlezen hebben. Sommige projecten kunnen al voor heel jonge kinderen ingezet worden, zoals Opstapje en VVE-thuis. VVE-thuis sluit aan bij de grote VVE-programma’s, zoals Piramide.

Tijdens de Nationale Voorleesdagen kun je extra activiteiten voor ouders organiseren om ze bij het voorlezen te betrekken. Zie ook de publicaties van Stichting Lezen:

‘Kwestie van Lezen. Het stimuleren van voorlezen in meertalige gezinnen’ : [http://www.lezen.nl/publicaties/kwestie-van-lezen-...]

‘Ouders betrekken bij het lezen. Over het hoe en waarom van het betrekken van ouders bij de leesopvoeding thuis.’:

[http://www.lezen.nl/publicaties/ouders-betrekken-b...] [A4]

Op www.digidreumes.nl vind je een overzicht van verschillende apps en websites met digitale prentenboeken die je in de groep kunt inzetten of waar je ouders op kunt attenderen.

Terug naar boven

Hoe verder?

APK

Je hebt het boek ‘Interactief Voorlezen’ gelezen en bent met interactief voorlezen aan de slag gegaan. Maar wat daarna? Hoe zorg je ervoor dat je je met de opgedane kennis verder kunt ontwikkelen? Hoe hou je de aandacht voor interactief voorlezen binnen je organisatie gaande?

Zet interactief voorlezen jaarlijks op de agenda, net als de APK voor je auto! Nog beter is het om een meerjarenplan te maken, met de acties per jaar. Want ook (of juist!) al werk je al jaren met interactief voorlezen, onderhoud is nodig.

Je kunt tijdens dit ‘onderhoud’:

  • uitwerkingen van prentenboeken uitwisselen met collega’s;
  • bij elkaar in de groep kijken hoe de ander interactief voorlezen aanpakt;
  • een frisse blik van een buitenstaander binnenhalen (opfriscursus of uitwisseling met andere collega’s, bijvoorbeeld van een andere locatie).

Aandacht voor interactief voorlezen beperkt zich vaak tot de uitvoering. Een stap verder is het inbedden in de organisatie. Wat wil je ermee? Wat kun je ermee? Wil je interactief voorlezen integreren in een VVE-aanpak? Gebruik je het ook om thema’s mee te verrijken?

Centrale vragen hierbij zijn: Hoe past interactief voorlezen het best in jouw organisatie? En wat ga je ermee doen? Wil je er ook gegevens uithalen, bijvoorbeeld observatiegegevens?

Je kunt:

  • interactief voorlezen op een jaarlijks overleg centraal stellen: Wat doen we er nu mee? Wat willen we er nog meer mee? Is wat we doen nog up to date?;
  • daar vervolgens een actieplan aan koppelen;
  • (interactief) voorlezen jaarlijks met ouders bespreken op thema-avonden, of in ouder-kindgesprekken.

Leesplezier

Uiteindelijk wordt het succes van interactief voorlezen bepaald door jouw enthousiasme. Geniet van de boeken, van de gesprekjes met de kinderen en van hun bijzondere gedachtegangen. Zo zul je je enthousiasme overbrengen op de kinderen en dat kan later doorwerken in het plezier dat ze zelf in lezen hebben. ‘Nog een keer dit boek’ kan dan een heel lang positief effect hebben!

Hoe maak je het voor jezelf gemakkelijk?

Vind je het voorbereiden veel werk? Je hoeft natuurlijk niet alles zelf te doen. Maak gebruik van de voorbeelduitwerkingen in het boek Interactief Voorlezen. Bedenk ook hoe je efficiënt samen kunt werken met collega’s. Wissel voorbereidingen en materialen uit.

Staat je collega in een parallelgroep, dan kunnen jullie om de beurt gebruik maken van alle materialen. Je hoeft dan niet alles dubbel te verzamelen. Misschien kun je een gemeenschappelijke hoek maken in de hal, waarin kinderen spelend het boek kunnen verwerken. Ook kunnen jullie ieder in een andere periode het boek voorlezen, zodat jullie het boek en alle materialen die erbij horen aan elkaar door kunnen geven.

Kijken naar jezelf …

Maak eens een ‘Top-’ en een ‘Tip’-lijst. Op een ‘Top’-lijst noteer je drie dingen waar je goed in bent.

Voorbeeld van een Top-lijst

Top-lijst van Hanneke

Waar ben ik goed in? Ik ben goed in …

  1. voorlezen. De kinderen uit mijn groep luisteren altijd heel geboeid als ik voorlees.
  2. samen met de kinderen het verhaal naspelen. De kinderen zijn heel betrokken bij het spel en het wordt altijd een mooie ‘voorstelling’.
  3. stille kinderen betrekken bij het verhaal. Deze kinderen durven tijdens het voorlezen ook wat aan te wijzen, te zeggen of te vragen.

Wat vind jij moeilijk? Wat zou jij verder willen ontwikkelen? Dit kunnen dingen zijn die je wilt leren, verbeteren, uitproberen of ontdekken. Mooie punten die je op een ‘Tip’-lijst kunt noteren: ‘tips’ voor jezelf!

Voorbeeld van een Tip-lijst

Tip-lijst van Hanneke

Wat wil ik nog verder ontwikkelen? Ik zou graag …

  1. meer uit het voorlezen willen halen qua woordenschatontwikkeling.
  2. beter willen worden in het bedenken van leuke en gevarieerde verwerkingsactiviteiten.
  3. de kinderen nog meer ruimte willen geven en willen uitdagen om zelf veel te praten tijdens of naar aanleiding van het voorlezen.

Natuurlijk is het leuk om van je collega te horen wat jouw ‘tops’ zijn en misschien heeft hij of zij ook wel tips voor je.

Terug naar boven
disclaimer